Turn on more accessible mode Skip to main content
SRA-Algemeen Home SRA-Home
Lidmaatschap
Kantoren
Carrière
Cursussen
Producten/diensten
Mkb-info
Persberichten
Contact
DigiNotar
Home
Contact
Copyright en disclaimer
Sitemap
SRA > Algemeen > Persberichten > 2009 > Pages > Reactie-SRA-op-Belastingplan-Heeft-het-mkb-echt-baat-bij-de-kabinetsvoorstellen.aspx  

Reactie SRA op Belastingplan: Heeft het mkb echt baat bij de kabinetsvoorstellen? 

Nieuwegein, 22 september 2009

Nederland verkeert in een macro-economische en beleidsmatig vacuüm. Dit vacuüm is ook terug te vinden in de kabinetsplannen: echte stimuleringsmaatregelen of administratieve lastenverlichting ziet SRA nauwelijks in het omvangrijke Belastingplan terug, wel budgettaire maatregelen. En daar waar van stimulering wordt gesproken, lijken voornamelijk grotere ondernemingen daar baat bij te hebben.

Nederland verkeert momenteel in een beleidsmatig vacuüm: vast staat dat de overheidsfinanciën uit balans zijn geraakt en dat majeure ingrepen noodzakelijk zijn om het begrotingstekort terug te dringen. De gekozen procedure heeft echter als belangrijk nadeel dat gedurende te lange tijd onzekerheid bestaat over de toekomstige beleidsplannen. Dat het kabinet er gezien de huidige staat van de economie voor kiest dit jaar het accent nog te leggen op stimuleringsmaatregelen en vermindering van de administratieve lasten is uiteraard zinvol. Een en ander laat evenwel onverlet dat spanning bestaat tussen de thans noodzakelijke stimuleringsmaatregelen en de aanstaande noodzakelijke bezuinigingen. Het bedrijfsleven en gezinnen moeten snel duidelijkheid krijgen en niet te lang in onzekerheid verkeren. Zo leidt de mogelijke wijziging van de eigen woningregeling tot onwenselijke onzekerheid op de toch al moeilijke woningmarkt.
 
De voorstellen uit het Belastingplan ademen de sfeer van administratieve lastenverlichting en stimulering van het bedrijfsleven door uitvoering te geven aan reeds eerder gepubliceerde beleidsplannen. De vraag is of de gewenste gevolgen daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. SRA is uiteraard blij met diverse maatregelen voor de dga en ondernemers. Fundamenteel kunnen die voorstellen echter niet worden genoemd. Wel wordt een aantal beperkingen doorgevoerd waar de praktijk niet op zit te wachten en ontstaan toch weer administratieve lasten. Bij verschillende maatregelen komt de vraag op of het mkb daar uiteindelijk baat bij heeft. Ook vraagt SRA zich af of de maatregelen gunstig zijn voor jonge innoverende ondernemingen. Waarom wordt bijvoorbeeld geld uitgetrokken voor een faciliteit voor een dga die zijn aandelen verkoopt en zou dat geld wellicht niet beter elders ingezet kunnen worden? Sommige maatregelen roepen bovendien de suggestie op dat voornamelijk het grote bedrijfsleven baat zal hebben bij de voorstellen.

Het kabinet stelt voor de administratieve lasten te verlagen door de invoering van een forfaitregeling voor werkkosten. Tot 1,5% van de totale loonkosten kan door werkgevers belastingvrij worden verstrekt aan werknemers. De werkgever kan binnen grenzen zelf kiezen hoe dat bedrag wordt verdeeld. Eenvoudige rekensommetjes op basis van participatiegraad maken duidelijk dat een werkgever met 150 werknemers in dienst ruim binnen de 1,5% van de totale loonsom blijft terwijl een werkgever met 5 werknemers die een zelfde pakket aan vergoedingen (fiets, pc, fitness) biedt, boven de 1,5% van de totale loonsom zal uitkomen. Die kleinere werkgever zal over het bedrag waarmee het forfait wordt overschreden belasting moeten betalen. De fortfaitregeling dreigt overigens ook inzet te worden bij salarisonderhandelingen. Werknemers zullen immers proberen af te dwingen te allen tijde tenminste die 1,5% als kostenvergoeding te krijgen. Een en ander lijkt geen goede zaak en leidt bovendien niet tot de vermeende lastenverlichting: nog steeds moet namelijk worden beoordeeld of de kostenvergoeding terecht is gezien de functie van een werknemer. Zo niet, dan behoort het bovenmatige deel nog steeds tot het loon. SRA stelt het kabinet voor na te denken over het vrijstellen van een absoluut bedrag per werknemer of de invoering van een differentiatie tussen het groot bedrijf en mkb en de bovenmatigheidstoetsing te beperken tot een beperkte groep werknemers, zoals bijvoorbeeld de dga en zijn partner. 

Een ander voorstel betreft de fiscalisering van de WW-premie. Dit gaat gepaard met afschaffing van de bestaande franchise. Dit voorstel kan voor kleinere bedrijven slecht uitpakken omdat de heffingsgrondslag wordt verhoogd en de rekening daarvan bij de werkgever zal komen te liggen. Ook de premievrijstelling voor jongere werknemers beneden 23 jaar met een laag inkomen zal niet altijd gunstig uitpakken. Uiteraard oogt deze maatregel sympathiek voor de betrokken groep werknemers. Echter, deze werknemers blijven wel gerechtigd tot de uitkeringen en door de vrijstelling zal de totale premieopbrengst over een lagere grondslag moeten worden berekend. SRA vreest dat de gemiddelde premie (beperkt) zal worden verhoogd. Dat betekent evenwel dat werkgevers met relatief weinig jongeren in dienst worden benadeeld ten opzichte van werkgevers met relatief veel jongeren in dienst. SRA denkt dat het kabinet de gewenste gevolgen van een aantal maatregelen die met name de loonadministratie ten goede moet komen (lastenverlichting) te optimistisch heeft ingeschat. 

SRA heeft zich al jaar en dag sterk gemaakt voor een verbetering van de (fiscale) positie van de directeur grootaandeelhouder. We zijn dan ook verheugd dat de kabinetsvoorstellen grosso modo positief uitpakken voor de dga. Tegelijkertijd constateert SRA dat sommige voorstellen, met name als het gaat om de tbs-regeling en het doorschuiven van ab-aandelen, moeilijk te rijmen zijn met de huidige economische stand van zaken, met een begrotingstekort van 35 miljard in het vooruitzicht. Waarom, stelt SRA voor, niet de regelingen later invoeren of wellicht zelfs de budgettaire kosten voor andere zaken aanwenden die voor ondernemers van groter belang zijn, zoals bijvoorbeeld een algehele tariefsverlaging of misschien ruimere verliesverrekeningsmogelijkheden? 

De verruiming van de doorschuiffaciliteit van ab-aandelen moet namelijk ergens gefinancierd worden, er bestaat geen (wetenschappelijk) onderzoek dat uitwijst dat de regeling noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijfsleven én de regeling is met name een mooie faciliteit voor vermogende en stoppende ondernemers. Wil het kabinet daadwerkelijk het mkb stimuleren, dan kan wellicht meer energie gestoken worden in bedrijfopvolgingsfaciliteiten die echt noodzakelijk zijn. Het resterende geld kan worden ingezet voor een verbetering van het ondernemingsklimaat voor jonge innoverende ondernemingen. Daarnaast wordt een echte knelpunt binnen de tbs-regeling, namelijk het gemengd gebruik van een pand zoals bij dokterspraktijken, niet opgelost. Los daarvan levert de eenmalige vrijstelling op langere termijn bekeken volgens SRA per saldo niets op. Overigens is van een echte administratieve lastenverlichting geen sprake: er is alleen sprake van een verschuiving van de lasten van de dga zelf naar zijn BV.

SRA constateert dat de heffing in box 3 steeds verder wordt uitgebreid, nu er sprake is van een herziene peildatum van 1 januari. SRA vindt dat het kabinet steeds meer afstand neemt van wat werkelijk inkomen uit vermogen is. Dat is wellicht eenvoudig en budgettair robuust, maar van enig verband met het belasten van het werkelijke inkomen is geen sprake. Eigenlijk is sprake van een algehele vrijstelling voor vermogensinkomsten en de herinvoering van een vermogensbelasting met een tarief van 1,2 procent. Dat bij emigratie in de loop van het jaar toch over het gehele jaar de rendementsheffing moet worden voldaan is uiteraard zeer te betreuren en zelfs onredelijk. Een aanpassing van dit voorstel lijkt noodzakelijk. SRA vraagt het kabinet ook de ruwe werking van de rendementsheffing uitdrukkelijk mee te nemen bij de voorziene herziening van het belastingstelsel.

Als laatste constateert SRA een verdergaande juridisering en de tendens om de rechtsbescherming van belastingplichtigen steeds verder te verkleinen. Boetes staan niet meer in verhouding tot het vergrijp en staan haaks op het gepropageerde vertrouwen in convenanten zoals Horizontaal toezicht.