Nieuwegein, 24 juni 2009
SRA ondersteunt op hoofdlijnen de voorstellen tot aanpassing van de huidige Successiewet. De inzet op vereenvoudiging, verlaging van de tarieven, afschaffing van het recht van overgang en het tegengaan van onwenselijk en oneigenlijk gebruik van bepaalde buitenlandse rechtsvormen ervaart SRA onder meer als positief. Toch behoeft een aantal punten aandacht, constateert SRA in haar vandaag verstuurde reactie aan de Vaste Kamercommissie voor Financiën op de wetsvoorstellen Schenk en Erfbelasting.
Vraagtekens zet SRA bij de uitwerking van de tarieven en vrijstellingen. Wordt daarmee rechtgedaan aan het draagkrachtbeginsel? Is het terecht dat iemand die een bedrag van € 1,3 miljoen aan ondernemingsvermogen krijgt, evenveel belasting moet betalen als iemand die ‘slechts’ € 130.000 aan niet-ondernemingsvermogen krijgt? Volgens SRA worden bestaande ondernemingen sterk bevoordeeld ten opzichte van met name ondernemingen die willen starten op basis van een verkregen erfenis of schenking die uit contanten bestaat. De innovatiekracht van het bedrijfsleven kan hierdoor inboeten.
SRA stelt voor om de vrijstelling voor ondernemingsvermogen ook te laten gelden voor ander vermogen dat binnen een jaar aantoonbaar in materieel ondernemingsvermogen wordt geïnvesteerd. Zo ontstaat een stimulans om nieuwe ondernemingen te starten of bestaande ondernemingen uit te breiden.
Voorkomen continuïteitsproblemen
Dit voorstel geldt ook de bedrijfsopvolgingsregeling. Zowel de huidige als de voorgestelde bedrijfsopvolgingsregeling geldt alleen voor de persoon die ondernemingsvermogen krijgt. Andere erfgenamen of begiftigden hebben geen baat bij de vrijstelling en betalen bij een in nominale termen gelijke verkrijging, relatief beduidend meer schenk- en erfbelasting. SRA vindt dat dit in de praktijk negatieve uitwerkingen heeft op de continuïteit van de onderneming. Het risico bestaat dat ook personen die niet betrokken willen zijn bij de onderneming, toch gedurende de geldende voortzettingsperiode betrokken zijn.
SRA stelt voor de bedrijfsopvolgingsregeling om te buigen tot een vrijstelling waarop alle verkrijgers in gelijke mate een beroep kunnen doen, ook zij die geen ondernemingsvermogen verkrijgen. Een andere mogelijkheid is om alleen voor situaties met evidente continuïteitsproblemen een faciliteit te creëren en het restant van het nu ingezette budget te gebruiken voor verdere tariefsverlaging. De afwijkende behandeling van ondernemingsvermogen ten opzichte van ander vermogen wordt dan weggenomen. Dit is vanuit economisch perspectief wenselijk om een verdere neutrale behandeling van diverse investeringsvormen te bewerkstelligen.
Uniform partnerbegrip
SRA ondersteunt het voorstel om de voorwaarden voor ongehuwd samenwonenden aan te scherpen (partnerbegrip), omdat het tot een belangrijke vereenvoudiging leidt en meer recht doet aan de kern van de bedoeling van de regeling. We vragen ons wel af of het wellicht niet meer voor de hand ligt om te komen tot een uniform, voor alle heffingswetten geldende definitie van partners in bijvoorbeeld de AWR, en vervolgens in de afzonderlijke heffingswetten naar dat uniforme partnerbegrip te verwijzen.
Gelijkheid bewerkstelligen
Ook het voorstel het recht tot overgang te laten vervallen, ondersteunt SRA. Daarbij merken we wel op dat het afschaffen van dit recht het effect heeft dat inwoners van Nederland bij een verkrijging van een buitenlander geen erf- en schenkbelasting betalen, terwijl dat bij een verkrijging van een Nederlandse inwoner wel het geval is. Uiteraard kan deze constatering vragen oproepen in de samenleving. Om gelijkheid te bewerkstellingen, zou de heffing van het recht van overgang hervormd kunnen worden. De uitvoering van een dergelijke regeling is echter ook zeer complex. SRA roept het Ministerie op om nog eens goed naar dit gesignaleerde effect te kijken.
Positie belastinglatenties
Als laatste vindt SRA dat in de gedane voorstellen ten onrechte geen aandacht besteed is aan de positie van belastinglatenties. Gelet op de gelijkschakeling van terbeschikkingstelling met een onderneming, ligt het voor de hand ook voor deze tbs-vermogensbestanddelen een latente belastingaftrek in de Successiewet 1956 te introduceren.