Thuis in uw branche
Ruud van den Dool

dr. Ruud van den Dool

dr. Ruud van den Dool is verbonden aan het bureau Vaktechniek fiscaal van SRA en aan het Fiscaal Economisch Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Tevens is hij zelfstandig gevestigd belastingadviseur, of counsel voor Delissen Martens advocaten en belastingadviseurs.

Alsnog invoeren schenkingsfictie bij aangaan huwelijk is wenselijk

  • Auteur: Ruud van den Dool
  • Publicatiedatum: 18-12-2017

Op 22 november 2017 diende CDA-kamerlid Pieter Omtzigt een amendement in bij het wetsvoorstel Overige Fiscale Maatregelen 2018 (OFM 2018). Hij vond het onjuist en maatschappelijk onwenselijk dat het aangaan van een huwelijk of samenlevingscontract, zelfs zonder dat sprake is van misbruik, een belaste schenking kan opleveren.

Mogelijk komt dit in de toekomst in een enigszins gewijzigde modaliteit alsnog. In deze in de ijskast gezette bepaling was sprake van een schenking als iemand door het aangaan van een huwelijk of samenlevingscontract rijker werd en bovendien meer dan de helft van het gezamenlijke vermogen kreeg. Als de vermogensverschuiving bij overlijden voordeed, was, volgens deze bepaling, sprake van een belaste erfrechtelijke verkrijging. Omtzigt achtte het onwaarschijnlijk dat de Belastingdienst op grote schaal te maken zou krijgen met zo’n scheve vermogensverdeling om belasting te besparen omdat zo’n scheve vermogensverdeling, zoals hij aangaf, altijd leidt tot een hogere belastingdruk.

Ik weet niet wie hem dit heeft ingefluisterd. Bijvoorbeeld bij bureau vaktechniek van SRA en binnen de fiscale commissie komen deze kwesties geregeld aan de orde. En in alle gevallen is belastingbesparing daarbij het oogmerk. Niet alleen besparing van toekomstige erfbelasting, maar ook besparing van aanmerkelijkbelangheffing kan daarbij aan de orde zijn omdat wijzigingen staande huwelijk in de gerechtigdheid tot ab-aandelen op basis van art. 4.17 Wet IB 2001 niet tot een heffing leiden, terwijl bij overlijden altijd afrekening volgt over het beleggingsvermogen. En deze besparingsmogelijkheden worden ook gezocht door allerlei meer exotische varianten van huwelijkse voorwaarden, zoals bijvoorbeeld opschortende voorwaarden, voorwaardelijke bepalingen, ongelijke delen en maximeringen in het nominale bedrag van de gerechtigdheid tot een huwelijkse gemeenschap. Kortom, er is wel degelijk een belang bij de regeling en scheve verdelingen lijken in toenemende mate voor te komen.

Wat was en is er aan de hand?

Het is vaste jurisprudentie dat het aangaan van een algehele gemeenschap van goederen tussen een rijke en een arme partner geen schenking aan de arme partner vormt. Weliswaar wordt de arme partner door zo’n huwelijk rijker, maar die vermogensverschuiving is niet het doel van het huwelijk. De affectieve relatie staat voorop en bovendien kan pas bij het einde van het huwelijk door scheiding of overlijden worden vastgesteld of de vermogensverschuiving zich ook daadwerkelijk manifesteert. In de terminologie van de Hoge Raad is bij het aangaan van het huwelijk of het wijzigen van de huwelijksvoorwaarden geen sprake van een voltooide eenzijdige waardeverschuiving. De nu door genoemd amendement niet aangenomen regeling bracht hierin geen enkele verandering. Daar lag en ligt het probleem dus niet.

Huwelijkse voorwaarden

Het probleem lag en ligt juist bij enkele meer bijzondere vormen van huwelijkse voorwaarden. Bijvoorbeeld bij het aangaan van een beperkte gemeenschap waartoe slechts één of enkele goederen behoren, De Hoge Raad heeft daarover nog niet beoordeeld en volgens de Minister van Financiën kan daarbij wel degelijk sprake zijn van een schenking (zie het Besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M, V-N 2010/34.12). Van zo'n schenking kan volgens de Minister ook sprake zijn bij een vermogensverschuiving als gevolg van een omzetting van de wettelijke gemeenschap van goederen in huwelijkse voorwaarden.

In het besluit wordt als voorbeeld gegeven het geval waarin een beperkte gemeenschap van goederen wordt aangegaan en een van de echtgenoten een woning inbrengt en de andere echtgenoot niets. Dit soort meer exotische varianten leiden iedere keer opnieuw tot discussie met de belastingdienst. Die discussies zouden door het nu in de ijskast geplaatste onderdeel van OFM 2018 zijn weggenomen. Dat sommigen zeiden dat de rechtsonzekerheid juist zou toenemen begreep en begrijp ik niet. Met bijvoorbeeld het arrest BNB 2013/151 in de hand zou door de belastingdienst namelijk wel degelijk in een aantal gevallen een schenking kunnen worden gesteld. Bij een kortlopende huwelijk dat bijvoorbeeld kort voor overlijden zou worden aangegaan, zou met het voorstel, behoudens evident en door de Inspecteur te bewijzen misbruik, geen sprake meer zijn van een schenkingsdiscussie. Kern van het voorstel was immers dat alleen sprake is van een schenking als - kort gezegd - de gerechtigdheid van een echtgenoot door de wijziging van de huwelijkse voorwaarden groter wordt dan de helft van het totale vermogen van beide echtgenoten. Als een gemeenschap ontstaat waarin beide echtelieden gelijkgerechtigd zijn, is derhalve geen sprake van een schenking, ongeacht of de huwelijksgemeenschap bij of staande huwelijk tot stand komt.

Fiscaal motief

Of ook een fiscaal motief bestaat, was voor de voorgestelde regeling irrelevant. Indien echter de gerechtigdheid van één van de echtelieden tot het totale gezamenlijke vermogen toeneemt tot meer dan 50%, was wel sprake van een schenking of van een erfrechtelijke verkrijging als die toename pas bij overlijden zou plaatsvinden. Door de voorgestelde regeling zou anders dan thans het geval is, evenwel geen sprake meer zijn van een schenking als een beperkte gemeenschap wordt aangegaan waarbij een echtgenoot een pand inbrengt, zolang althans de andere echtgenoot daardoor niet gerechtigd wordt tot meer dan 50% van het totale vermogen van beide echtgenoten.

Behoudens schijnhuwelijken zou de regeling veel meer zekerheid geven. Het aangaan van het huwelijk, noch de wijziging van de huwelijksvoorwaarden staande huwelijk leidt tot een belaste verkrijging, mits het aandeel van een echtgenoot niet toeneemt tot meer dan 50%. Helaas moet de praktijk nu weer voort met de bestaande onzekerheid. De adviseurs hebben hier baat bij. Waar mogelijk kan belastingbesparing thans immers nog worden bereikt, hoewel men altijd beducht moet zijn voor discussies met de belastingdienst.

Wat mij betreft wordt de voorgestelde regeling alsnog snel ingevoerd, in ieder geval om in 50:50 verhoudingen geen discussies meer te hebben. Dat met het voorstel evidente planningsmogelijkheden (zoals die waarbij bijvoorbeeld in het zicht van overlijden de vermoedelijk langstlevende tot 90% van de gemeenschap wordt gerechtigd) zouden vervallen, acht ik geen probleem (maar dergelijke advisering hoort niet tot mijn kernactiviteiten). De methodiek om te beoordelen of iemand gerechtigd wordt tot meer dan 50% van het totale vermogen, kan met het nu gerealiseerde uit- of afstel wellicht worden bijgeslepen.

 

Bekijk alle opinie artikelen

SRA.nl maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Cookies accepteren