Thuis in uw branche

Mkb-ondernemers willen duidelijkheid en samenwerking van hun bank

  • Publicatiedatum: 19-09-2013

SRA heeft in de nieuwsbrief van mei 2013 een oproep gedaan aan haar leden om deel te nemen aan het financieringsonderzoek van de Universiteit van Leiden. Inmiddels zijn de uitkomsten bekend. SRA krijgt de primeur.

Een samenvatting van de onderzoeksresultaten:


Mkb-ondernemer geeft bank een onvoldoende en wil meer duidelijkheid

 
65% van de ondernemers geven aan dat zij weinig moeite hebben hun financiële situatie met hun bank te delen, zowel in goede als slechte tijden. Bij banken missen ze echter wel duidelijkheid over hoe zij tot kredietbeslissingen komen. Graag zouden ondernemers zien dat banken meer als partner-in-business optreden, waarbij de problemen gezamenlijk worden aangepakt. Het kredietcontract tussen beide partijen lijkt daarmee niet voldoende om de behoeften van beide partijen te vervullen. Misschien kan een Statement of Principles daarin wel voorzien.
 
Deze week verschijnt het boek Capita Civilologie, waarin een reeks van wetenschappers onderzoek doet naar privaatrechtelijke relaties en de bedoelde en onbedoelde effecten in de praktijk. Daarin zijn ook uitkomsten te vinden van een verkennend wetenschappelijk onderzoek dat de Universiteit Leiden samen met onder andere het SRA uitvoerde naar de (contractuele) relatie tussen ondernemers en hun banken. De enquête is (online) uitgestuurd via (sociale) media (Sprout.nl, Financieel-management.nl, Twitter), websites en nieuwsbrieven van brancheorganisaties (KVGO en SRA) en in het eigen netwerk van MKB-ondernemers/managers, financieel directeuren, accountants (ten behoeve van verspreiding onder MKB-klanten) en bankiers.

In totaal zijn 220 bruikbare enquêtes voor ondernemingen en 20 voor banken ingevuld. Daarin is naast vragen over de mate van openheid tussen beide partijen ook ingezoomd op de wensen van de mkb-ondernemer ten aanzien van de samenwerking met de bank. De ingevulde enquêtes zijn geanalyseerd met Structural Equation Modeling, een statistische techniek die inzicht verschaft in de relatie tussen geobserveerde variabelen (de enquêtevragen) en de niet-geobserveerde of latente variabelen (‘de verhouding tussen de onderneming en de bank’). De algemene conclusie is dat banken nog veel kunnen winnen met een hogere mate van openheid en een sterkere focus op het gezamenlijk oplossen van problemen.


Openheid ondernemers

65% van de ondernemers vinden van zichzelf dat ze banken informeren zoals gewenst is. De specifieke enquêtevragen over angst voor kredietopzegging laten een voorzichtige en behoedzame ondernemer zien, maar de antwoorden over het delen van slecht nieuws met banken geven juist aan dat ondernemers hun verplichtingen jegens de bank huns inziens getrouw nakomen. Er zijn geen aanwijzingen dat ondernemers in hun perceptie voorzichtiger worden als ze in zwaar weer terechtkomen, terwijl het belang van de ondernemer om informatie achter te houden wel toeneemt ('voorkomen van kredietopzegging').


Openheid banken

Ondernemers hebben het gevoel dat ze niet altijd weten wat ze van banken kunnen verwachten. Vooral de procedures en het afwegingsproces van banken om tot kredietopzegging of verscherpt
toezicht over te gaan, zijn onduidelijk voor de respondenten. Een uitzondering wordt gevormd door de afdeling Bijzonder Beheer. Deze voelt voor de ondernemers juist niet als een Black Box, wat de mate van transparantie lijkt te compenseren. Ook als de onderneming in zwaar weer verkeert, krijgen ondernemers niet het gevoel dat de bank informatie over hun besluitvormingsprocessen achterhoudt. Als ondernemers meer helderheid verwachten, dan is de bank klaarblijkelijk bereid evenredig meer informatie te verstrekken.


Waardering

De ondernemers hebben een duidelijk negatief beeld van hun bank. De rapportcijfers die aan de
(accountmanagers van) banken worden uitgedeeld, zijn onvoldoendes. De waardering van de relatie in het algemeen krijgt gemiddeld een 5,4, hoewel in 56% van de gevallen nog wel een voldoende wordt gegeven. Het handelen in het gezamenlijk belang wordt gemiddeld met een 4,7 beoordeeld, en hier geeft ook een meerderheid (58%) een onvoldoende. Een voorzichtige vergelijking (gegeven de beperkte respons): bankiers waardeerden de relatie op gemiddeld een 6,6.

Als gekeken wordt naar de invloed op de onderlinge waardering van de omstandigheden waarin de ondernemer zich bevindt, dan blijkt die beperkt. Ondernemers die in aanraking zijn gekomen met Bijzonder Beheer hebben een licht negatiever beeld over banken, maar dat is niet veel negatiever dan normaal al het geval is. Ook de ondernemers die last hebben gehad van de economische crisis waarderen hun relatie met de bank net iets negatiever dan gemiddeld.


Contract of relatie?

De onderzochte gedragsaspecten inzake het kredietcontract tussen bank en onderneming laten een verrassend doch genuanceerd beeld zien. Enerzijds is er een duidelijk negatief beeld op de relatie. Anderzijds geeft het onderzoek nog geen bevestiging van sterke vermoedens uit de praktijk dat ondernemers ongewenst gedrag vertonen ('informatie achterhouden') op basis van de contractuele afspraak tot 'onverwijld informeren'. De afhankelijkheid van de ondernemer ten opzichte van de bank is vaak groot, zeer zeker bij een verslechterde financiële positie. Dit lijkt de mate van openheid te bevorderen, met name door de mogelijke 'repressie' van het niet tijdig informeren. Gezien de negatieve perceptie, maar wél het gewenste gedrag, lijkt in zekere zin sprake van een puur zakelijk 'kredietcontract', en minder van een waardecreërende 'samenwerkingsrelatie'. De kredietrelatie lijkt eerder een 'verstandshuwelijk' dan een 'liefdeshuwelijk'.


Gedragscode

Een hogere mate van transparantie vanuit de banken is volgens de contractuele bepalingen niet direct vereist. Ondernemers blijken dat op dit moment echter wel te missen, bijvoorbeeld wanneer sancties toegepast zullen worden. Het lijkt echter niet waarschijnlijk dat alle mogelijkheden contractueel vastgelegd kunnen worden, omdat de werkelijkheid altijd complex en genuanceerd is. Een aanvulling op het contract, in de vorm van een gedragscode met meer subjectieve regels over houding en gedrag, lijkt een beter alternatief. In Engeland is zo'n gedragscode al sinds 1997 de leidraad van de onderlinge relatie. Met dit ''A Statement of Principles: Banks and Micro-Enterprises – Working Together'' laten Engelse banken zien dat zij gericht zijn op samenwerking, en wordt benadrukt dat dit het best tot stand komt wanneer eigenaren en managers zich in een vroegtijdig stadium laten adviseren om vervolgens gezamenlijk actie te ondernemen. Nadrukkelijk wordt duidelijk gemaakt dat het op tijd blootleggen van (mogelijke) problemen juist de mogelijkheid biedt om samen naar een oplossing te zoeken.

De volledige onderzoeksresultaten zijn op verzoek beschikbaar bij de Afdeling Bedrijfswetenschappen, Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden

Contactpersonen:

Gerard Stigter (g.stigter@law.leidenuniv.nl) en
Jean-Pierre van der Rest (j.i.van.der.rest@law.leidenuniv.nl)

 

SRA.nl maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Cookies accepteren