Sla menu over
Kwaliteit die verbindt
  • Publicatiedatum:19-01-2026

SRA reageert op wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3

Maandag 19 januari 2026 vindt een wetgevingsoverleg van de vaste Kamercommissie van Financiën plaats over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Vooruitlopend daarop stuurde SRA op 6 januari 2026 een reactie op het wetsvoorstel.

Grafieken

Geen voorstander van hybride systeem met vermogensaanwasbelasting

Al op eerdere momenten in het wetgevingsproces gaf SRA aan geen voorstander te zijn van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3, een hybride systeem met als uitgangspunt een vermogensaanwasbelasting. Zo'n hybride systeem is complex. Een nieuw box 3-stelsel zou passend en eenvoudig toepasbaar moeten zijn voor zowel doorsneebelastingplichtigen als niet-doorsneebelastingplichtigen.

Een vermogensaanwasbelasting leidt tot belastingheffing op het moment dat er nog geen draagkrachtvermeerdering optreedt. SRA vreest dat een dergelijke heffing niet dan wel onvoldoende zorgt voor draagvlak bij belastingplichtigen. Met een vermogensaanwasbelasting zou Nederland ook volledig afwijken van omringende landen en andere grote economieën. Dit kan leiden tot nieuwe (massale) procedures.

Budgetneutraliteit

Een goede toekomstige wetgeving is verder belangrijker, zeker in het kader van draagvlak en het voorkomen van procedures, dan budgetneutraliteit (dat de opbrengst hetzelfde blijft bij een verandering van het systeem). Bovendien leidt een vermogensaanwasbelasting niet per definitie tot de door het kabinet gewenste budgetneutraliteit.

Het als argument aangedragen lock-in-effect (het verschijnsel dat belastingplichtigen vermogensbestanddelen aanhouden om vermogenswinsten niet te realiseren en zodoende belastingheffing uitstellen) dat zich zou voordoen bij een vermogenswinstbelasting, zal zich slechts beperkt voordoen. SRA vindt dat dit geen dragend argument kan zijn voor een vermogensaanwasbelasting.

SRA merkt in de reactie nog op dat het eigen gebruik van bijvoorbeeld een tweede eigen woning, een consumptieve besteding is. Het belasten daarvan door middel van een vastgoedbijtelling acht SRA principieel onjuist. Verder wijst SRA op een onwenselijk gevolg van het gebrek aan achterwaartse verliesverrekening in het wetsvoorstel en op het ontbreken van doorschuifmogelijkheden voor vermogensbestanddelen die onder de vermogenswinstbelasting vallen.

Groot voorstander van vermogenswinstbelasting

SRA is groot voorstander van één systeem op basis van een vermogenswinstbelasting. Een vermogenswinstbelasting sluit aan bij de draagkracht van een belastingplichtige en zorgt voor draagvlak. Dat heeft een positief effect op de naleving en vermindert de kans op nieuwe (massale) procedures aanzienlijk. Een vermogenswinstbelasting is begrijpelijker, beter uitvoerbaar en zorgt voor minder uitvoeringslasten, omdat afbakeningsproblemen en jaarlijkse waarderingsvragen zich minder voordoen dan bij een vermogensaanwasbelasting. Onder voorwaarde dat de verschillen in tarifering/belastingdruk beperkt worden, zal er verder nauwelijks nog aanleiding zijn voor arbitrage en verschuivingen tussen de boxen en tussen de IB en de Vpb, omdat daar ook een vermogenswinstbelasting geldt. Een vermogenswinstbelasting sluit tot slot beter aan op het belasten van vermogen in andere landen.

Tot slot

We houden je op de hoogte van de ontwikkelingen rond het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 en andere gerelateerde onderwerpen, zoals de tegenbewijsregeling. Kijk daarvoor ook naar het Dossier Box 3.

Lees de volledige reactie van SRA